Oliemolens, zeventiende-eeuwse bedelaars en het Huis Coelen: het zijn onderwerpen in het nieuwe Historisch Jaarboek Delft 2026, dat donderdag 21 mei ten doop is gehouden tijdens de uitreiking van de LeComteprijs.
Alle leden van Delfia Batavorum ontvangen een exemplaar. De boeken worden, met dank aan de inspanningen van Herman Jacobs en diverse vrijwilligers de komende tijd bij alle leden thuis bezorgd.
Zes auteurs schreven evenzovele artikelen die, zo lichtte redactievoorzitter Peter Becker bij de presentatie toe, op origineel wetenschappelijk onderzoek moeten stoelen. ‘Je kan niet even wat bij elkaar Googelen.’
Zo schreef Jan Ploeger, die in 2024 in Eindhoven is gepromoveerd op de geschiedenis van fietsgebruik in Nederland, een fijn artikel over het Delftse Fietsplan uit 1979. Dat volgde op decennia waarin de auto gevierd werd, de wagens zich nog in twee richtingen door de Oude Langedijk mochten persen en beleidsmakers droomden van het doortrekken van de A13, dwars door de stad. Met het Fietsplan kwam de kentering. Uit verre buitenlanden kwamen planologen kijken hoe Delft voorop liep in het intomen van de auto, vertelde Ploeger bij de presentatie van het Jaarboek.
Trudy van der Wees, schrijver van Kees Chardon, boegbeeld van het Delftse verzet, spoorde een van de Joodse kinderen op die mede dankzij Chardon de oorlog overleefden. Rivka Rachevski-Lindeman woont tegenwoordig in Israël en liet zich interviewen voor het Jaarboek over de onderduik.
Historicus Jan Mous reconstrueerde de harde behandeling die bedelaars ten deel viel in het zeventiende-eeuwse Delft. ‘Onnutte menschen’, zo werden ze genoemd. Bedelen was verboden, en wie daarop werd betrapt, kon veroordeeld worden tot verbanning uit de stad. Ook het helpen van arme stakkers werd op zeker moment strafbaar. ‘In hedendaagse terminologie: je mocht ze geen kop soep geven’, zei de auteur in een toelichting.
Bouwhistoricus Wim Weve en historicus annex huizenonderzoeker Kees van der Wiel bogen zich over Huis Coelen, een verdwenen pakhuis dat op de plek van Koornmarkt 5-7 heeft gestaan. Wim Weve boog zich over de bijzondere kozijnen met rijkversierde onderdelen. Kees van der Wiel reconstrueerde de opmerkelijke geschiedenis van het pand.
Amateurhistoricus en molenexpert Aart Struijk wierp zich op de Delftse oliemolens, die olie persten uit kool-, lijn- en raapzaad voor huishoudelijk gebruik.
Daarnaast kweet Jenny Omvlee zich weer van de taak om al het nieuws uit Delft over 2025 in een kroniek te vatten, waarmee ze de titel stadschroniqueur dubbel en dwars heeft verdiend. Vanaf 1 januari 2025 (‘Op de eerste dag van het nieuwe jaar telde Delft 110,174 inwoners, dat zijn er 591 meer dan het vorige jaar.’), tot en met 31 december (‘De jaarwisseling verloopt beheersbaar. De hulpdiensten komen 59 keer in actie.’) legt ze de meest recente Delftse geschiedenis vast.
Het Jaarboek is samengesteld door de redactie, bestaande uit Peter Becker, Wilma van Giersbergen, Peter van der Krogt, Peter van der Kruk, Ingrid van Vlis en Bas van der Wulp.
